Moorsel

Korte geschiedenis van Moorsel

Moorsel bestond sinds de vroege middeleeuwen uit twee heerlijkheden: Moorsel-propre en Moorsel-kapittel. Moorsel-propre, dat ongeveer één derde van de oppervlakte van de huidige gemeente bedroeg, was één van ’s graven propre dorpen met als kern het hof te Eksel, een versterking met motte uit de 9de eeuw (nog steeds zichtbaar ter plaatse).  Deze heerlijkheid was eigendom van de heren van Moorsel en werd in 1661 tot baronie verheven.

De andere heerlijkheid, Moorsel-kapittel, vrijheerlijkheid van Moorsel, Gevergem en Wieze, lag in het noorden van de gemeente en werd reeds in 868 vermeld.  Het gebied was eigendom van het kapittel van Dendermonde.  Stevenkapel is hiervan nog steeds een levend getuigenis.
Eén van de grootste grondbezitters alhier was de abdij van Affligem.  Op één van de abdijdomeinen liet abt Karel de Croij, bisschop van Doornik ca. 1546 het nog bestaande waterkasteel bouwen, nadat zijn eerste kasteel te Meldert bij de inhuldiging afbrandde.  Met de stenen van dit kasteel werd het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen gebouwd.
Landbouw was ook hier de voornaamste activiteit op een aantal grote domeinen.  Vanaf de 19de eeuw kwam er wat industrie (bierbrouwerijen) en kort na 1900 werd de snijbloementeelt geïntroduceerd die Moorsel bekend maakte in heel Europa.

Eeuwenlang tot op het einde van het Ancien Régime, eind 18de eeuw, bleef de bestuurlijke indeling ongewijzigd.  Pas met de Franse Revolutie kwam er een einde aan de tweeledigheid van Moorsel en tevens aan het patronaat van de abdij Affligem over de parochiekerk.
De huidige schrijfwijze Moorsel dateert pas uit de 18de eeuw.  Voorheen werden diverse schrijfwijzen gehanteerd.  De oudste vermelding was Morcella en dateert van 1114.  De naam zou een samensmelting zijn van moor, wat staat voor modder, moeras, en sele of sall, wat woning of plaats betekent.  Derhalve gaat het dus over een woning gevestigd op of nabij moerasgronden, wat typografisch inderdaad het geval is, nabij de Faluintjes, moerassig gebied.

Moorselkerk

De gemeente Moorsel is met zijn 943 ha de grootste van de vier Faluintjesgemeenten en telt ook het grootste aantal inwoners, momenteel zowat 4.600.
Bezienswaardigheden zijn: de Sint-Martinuskerk, waarvan de Romaanse onderbouw dateert van de 12de eeuw, met in de onmiddellijke omgeving de pastorie (18de eeuw), de Sint-Gudulakapel (14de eeuw), opgetrokken in Meldertse zandsteen, en vooral het renaissancistische waterkasteel (behoudens kleine verbouwingen bleef het gebouw bewaard in zijn oorspronkelijke toestand).  Moorsel bezit ook tal van mooie 19de-eeuwse herenhuizen.  Typerend zijn ook het grote aantal kleinschalige boerenhuisjes van 1900 en later, vaak in een schilderachtige omgeving.

De Moorselse monumenten

  • Sint-Gudulakapel, Moorsel-Dorp (monument – 3 juli 1942)
  • Sint-Martinuskerk, Bergsken (monument: koor, kruisbeuk en toren – 3 juli 1942; uitbreiding tot het geheel – 20 november 1973)
  • Waterkasteel, Opwijksesteenweg (monument – 4 mei 1944)
  • Pastorie, Bergsken (monument – 27 januari 2003)

 

Het wapenschild van Moorsel

WapenschildMoorsel

(K.B. 26 maart 1914)
In zilver een roode schuinbalk, het schild links gehouden door de Maagd, dragende in de rechterhand eenen schepter en op den linkerarm het Kind Jezus, de Maagd en het Kind elk bedekt met een mantel met lange plooien, het hoofd versierd zijnde met eene kroon en met een lichtkrans alles van zilver.