De abdij Affligem

De abdij Affligem is onlosmakelijk verbonden met onze Faluintjesstreek.  Deze benedictijnerabdij werd gesticht in 1062 op de grens van Vlaanderen en Brabant.  Al snel groeide ze uit tot de belangrijkste abdij van Brabant.  Zes ridders werden tot inkeer gebracht, met name Gerard de Zwarte, Geldulf, Tibald, Emilien, Hargeer en Vulbodo.  Nadat zich nog twee ridders, Gerard de Witte en Hunraad, bij hen hadden gevoegd, vroegen en verkregen de stichters de kloosterstichting.

Een monnik van Saint-Vanne te Verdun, Fulgentius, Brabander van geboorte, vestigde zich in 1085 te Affligem en zette de geestelijke leiding van de ridders verder.  Hij werd de eerste abt van de abdij Affligem.  In 1086 kwam Gerard II, bisschop van Kamerijk, de eerste abdijkerk inwijden.  Zij had Sint-Pieter als patroon en was wellicht het eerste stenen gebouw in de streek. In 1092 trad Heribrand, heer van Herdersem, te Affligem in, gevolgd door zestien leden van zijn geslacht.  Zij schonken een groot gedeelte van hun erfgoederen aan de abdij, die op deze wijze ook de parochie Herdersem verwierf.

Abdij2

In 1122, bij het overlijden van deze eerste abt, waren reeds 230 religieuzen aan zijn gezag onderworpen en werden zeven kloosters door hem opgericht of met nieuw leven bezield: het Affligems Parthenon (vrouwenklooster), Neerwaver, Frasnes, Sint-Andries-Brugge, Vorst, Maria Laach in het Rijnland en Bornem.  Op zijn verzoek werden in 1105 de parochies Moorsel, Wieze, Hekelgem, Essene door bisschop Otto van Kamerijk aan de abdij geschonken.  De positie van de abdij was weldra zo sterk dat de abt optrad als raadgever van de hertog van Brabant en dat de hertogelijke banier in het klooster verbleef.  Van 1139 tot 1254 werden vijf leden van het grafelijk huis van Leuven, waaronder Aleidis, koningin van Engeland, te Affligem begraven.

In 1128 begon de bouw van een grootse Romaanse abdijkerk, een kruisbasiliek die vijf imposante torens telde.  De monniken bezaten heel de Faluintjes, een moerassig gebied rond de Molenbeek.  In 1189 werd door Roger van Wavrin, bisschop van Kamerijk, de parochie Meldert met zijn aanhankelijkheid Baardegem aan de abdij geschonken.  Vanaf dat ogenblik was de Sint-Walburgakerk te Meldert de parochiekerk van de abdij.  In 1151 wordt reeds de Nedermolen, een watermolen te Meldert, als eigendom van de abdij vermeld.  In 1264 kochten ze het Monnikenhof te Herdersem.  De monniken verwierven dan ook spoedig grote delen van Meldert: in de 14de eeuw hadden zij 565 bunder van de 583 bunder in bezit.  Zelden was een abdij zo de alleeneigenaar van een dorp!  Alle abdijgebouwen, behoudens de Affligempoort, lagen eertijds op het grondgebied van Meldert.  Dit is duidelijk te zien op het kaartboek van het dorp in 1727 uitgevoerd door J. De Deken.

De monniken ontgonnen zandsteengroeven aan het Kravaalbos, te Doment en Nievel en brachten aldus grote welvaart in Meldert en omgeving.  In de nabijheid van de steengroeven richtten de monniken in de 12de eeuw het Hof te Putte op, in de 14de eeuw ook het Hof te Woestijne genoemd.  De bewerkte zandsteen werd vervoerd via de Putstraat en de Meldertse Frankische dorpsdries en via Moorsel naar “den Aart” aan de Dender in Herdersem, “daer men den steen te ontlaeden plach” volgens het boek der Kelderije uit 1456.  Daar werd hij op schepen geladen en vervoerd tot in Duitsland en Frankrijk.

De verwoestingen in de 14de eeuw zorgden ervoor dat vele middeleeuwse abdijgebouwen verdwenen.  Ook drie torens van de Romaanse kerk overleefden deze woelige periode niet.  De kerk kreeg een gotisch koor onder abt Jan van Woluwe (+1369).  Omstreeks 1550 bouwde abt de Croy het waterkasteel te Moorsel, nadat zijn eerste kasteel in het centrum van Meldert bij de inhuldiging afbrandde.  Tijdens de Beeldenstorm volgde de tweede grote verwoesting van de abdij Affligem.  Op 16 juli 1580 werd Affligem in brand gestoken.  Pas in 1603 werd door de monniken begonnen met de heropbouw van de abdij te Affligem.

In de 17de eeuw werd vooral aandacht besteed aan de heropbouw en restauratie van de abdijgebouwen.  De huidige Benedictuspoort werd in 1613 opgericht op de grondvesten van het gesloopte hospitium en werd vernieuwd in 1718.  De wasserij, het huidige benedictusheem, is mogelijk een verbouwde oude hopschuur uit de 16de eeuw.  De tweede helft van de 17de eeuw was een periode van stagnatie ten gevolge van de Franse invallen.  Verscheidene gebouwen brandden af en werden telkens opnieuw hersteld.

In de 18de eeuw waren er grootse plannen om vele nieuwe abdijgebouwen op te richten in de gangbare classicistische stijl.  Deze plannen werden slechts gedeeltelijk uitgevoerd, enerzijds door geldgebrek, anderzijds door het woelige einde dat de 18de eeuw kende.  De monniken werden op 11 november 1796 door de Fransen uitgedreven.  De abdij werd verkocht als nationaal goed.  Op dat ogenblik telde de abdij meer dan 60 grote pachthoeven en 8.264 ha landbouwgronden en bossen verspreid over 140 gemeenten.  Gebouw na gebouw werd geheel of gedeeltelijk gesloopt.  Doordat het Bisschoppenhuis in die periode bewoond werd, is dit gebouw momenteel het enige restant van de oude abdijgebouwen.

Jozef Vael, overste te Dendermonde, kocht in 1868 het Bisschoppenhuis aan.  Op 18 juni 1870 werd het kloosterleven te Affligem hersteld.  De abdij kwam opnieuw snel tot bloei en in 1887 werd Godehard Heigl tot abt verkozen.  De abdijgebouwen breidden opnieuw uit. In 1933 en 1934 werd de abdij nog uitgebreid en werden nieuwe kloostergangen en -panden gebouwd volgens de plannen van de Nederlandse architect A. Kropholler, en volgens de normen van die tijd behoren zij tot de zuivere monastieke stijl, gekenmerkt door soberheid en ingetogenheid.  Gebrek aan geld verhinderde dat de abdijgebouwen opnieuw een vierkantpatroon vertonen rondom een binnenhof.

Onder invloed van de nieuwe wind die tijdens de jaren zestig doorheen de Kerk waaide, werd jammer genoeg de neogotische kerk afgebroken en in 1972 vervangen door een zaalkerk ontworpen door architect A. Van den Broecke (Merelbeke).  De huidige klokkentoren werd in 1954 gebouwd. De kloostertuin is ongeveer 6 ha groot.  Er bevindt zich nog een muur van de grote tweede abdijkerk in de tuin.  De voormalige zuivelfabriek van de abdij werd omgebouwd tot cultureel centrum.